Op zondag 7 april 2019 komen we bij elkaar voor de vierde bijeenkomst van het achtste seizoen van Zin-in-Zondag, die dit keer in het teken staat van de Maand van de Filosofie. Het thema voor 2019 is ‘Ik stuntel dus ik ben’, een toespeling op de uitspraak van Descartes, ‘Ik denk, dus ik ben’ (‘Cogito ergo sum’). Gekoppeld aan de gast van vandaag, Diederik Stapel, heeft de werkgroep daar nog een kleine draai aan gegeven: ‘Ik stuntel en kom boven’, variatie op ‘Ik worstel en kom boven’ (‘Luctor et emergo’), wapenspreuk uit het wapen van de provincie Zeeland.

Bert Altena opent de bijeenkomst en geeft het woord aan Elga Muller, die het gedicht ‘Goed’ van Tanja Helderman voorleest.

Daarna gaan Bert en Diederik in gesprek en de eerst vraag is hoe Diederik zichzelf zou omschrijven.
Diederik Stapel is een man van 52, heeft een lieve vrouw en twee dochters. Tot 2011 was hij professor in de sociale psychologie aan de universiteit van Tilburg. Daar is hij in 2011 ontslagen nadat ontdekt werd dat hij wetenschapsfraude had gepleegd. In de academische wereld is dit een doodszonde. Diederik geeft aan dat hij verantwoordelijkheid draagt voor wat hij heeft gedaan en dat hij verwacht dit zijn hele leven met zich te zullen meedragen. Zodra mensen elkaar beter leren kennen, zal immers altijd het gesprek komen op wat je doet, wat je hebt gedaan en wat er in je leven is gebeurd. Het is een heel moeilijke kwestie om weer werk te vinden. In de universiteitswereld is hij niet meer welkom, in het bedrijfsleven ook niet. Hij heeft een aantal boeken geschreven en is een aantal dagdelen therapeut in de verslavingszorg.
Hij is soms moedeloos, boos, verdrietig en twijfelt, maar ervaart dit alles als een gevolg van wat hij over zichzelf heeft afgeroepen. Daarnaast heeft hij de drive en de passie om iets aan de maatschappij bij te dragen. Door de gebeurtenissen kan hij zijn drive en deskundigheid niet voldoende inzetten. Dit frustreert hem erg.
Eén van de boeken die hij schreef, gaat over zijn ontsporing, waarom hij het heeft gedaan. Na zijn ontslag belandde hij in een diep dal en een donkere depressie. Door het schrijven kon hij zijn gedachten ordenen en antwoorden krijgen, onder andere over zijn motieven. Was het zijn ‘nature’, zijn aard, of zijn ‘nurture’, de manier waarop hij groot werd, zijn jeugd, zijn omgeving?

Aspecten van de antwoorden op zijn eigen waarom-vragen zijn (naast het gevoel van de verkeerde persoon op de verkeerde plaats in het verkeerde moment) de behoefte aan applaus, status en erbij horen. Hij wilde graag orde scheppen in de wanorde die de wereld aan ons presenteert; hij hoopte die wereld beter te maken, koesterde de wens de hemel op aarde te brengen. Hij omschrijft het als een diepgevoeld hemels verlangen om een perfecte oplossing te vinden voor menselijke problemen.
Lange tijd wilde hij de consequenties van zijn handelen niet zien en sloot hij zich af. Hij vindt dat hij zijn eigen verlangen centraal stelde. De behoefte aan structuur en logica en schoonheid ontaardde zo in een volledige ontsporing en ontmaskering en in het inzicht dat er geen simpele antwoorden zijn.
Toch was de ontdekking van de fraude ook een bevrijding. Diederik maakt een vergelijking met Adam en Eva die uit het paradijs werden verdreven. Het woord ‘paradijs’ betekent van oorsprong ‘ommuurde, veilige plek’. Hun verdrijving naar buiten het paradijs markeerde hun menswording en daarmee ontstonden schuld en schaamte en de plicht verantwoordelijkheid te nemen. En hoewel Diederik niet uit een religieuze familie komt, heeft hij veel steun gehad aan een diepgelovig familielid, een oom die veel gesprekken met hem heeft gevoerd.

Bert haakt in op de begrippen ‘schuld’ en ‘schaamte’ en maakt onderscheid tussen de in oosterse landen vaak meer heersende schaamtecultuur, terwijl in het westen een schuldcultuur domineert. Wat betekenen die woorden voor Diederik?
Diederik vind dat hij schuldig is en hij schaamt zich ervoor, maar wil ook verder met zijn leven.
Hij probeert nu een aantal jaren zo mild mogelijk te zijn, met veel mededogen naar de mensen te kijken en zijn eigen oordeel zo lang mogelijk uit te stellen.
Bert vraagt of hij zichzelf heeft vergeven. Diederik antwoordt dat iedereen boos op hem was. Hij was erg op zoek naar vergeving door anderen, maar concludeerde dat het zo niet werkt. Mensen hebben andere dingen aan hun hoofd dan jou te vergeven en dus moest hij een manier vinden om het zichzelf te vergeven. Dat is gelukt en ook zijn allernaasten hebben hem vergeven. Ergens zit daarin een wonderlijke tegenstelling, dat degenen die het dichtst bij je staan en het meeste last hebben van je fouten, eerder geneigd zijn je te vergeven dan mensen die je niet kennen en weinig hinder ondervinden van je fouten. Diederiks ervaring is dat de wetenschappelijke wereld weinig geneigd is tot vergeving. Hij omschrijft de wetenschap als de nieuwe religie, waarin veel veroordeling plaatsvindt en weinig openheid is voor dialoog. De kerk, daarentegen, is meer geneigd tegenwoordig om in gesprek te gaan en ruimte te bieden aan andersdenkenden en afwijkende visies.

Bert vraag of je jezelf kunt vergeven als niemand anders dat doet, als er geen maatschappelijk voorbeeld is van vergeving en als de onvoorwaardelijkheid ontbreekt? Diederiks ervaring is dat zijn gezin, familie en vrienden hem hebben vergeven, maar de wetenschappelijk wereld niet en hij voorziet ook niet op korte termijn verandering daarin. Hij maakt zich zorgen over de hardheid van de mensen.
Bert dankt Diederik voor dit moment en zegt dat we van de hardheid die hij signaleert, overgaan naar wat zachtheid met een lied van Kees Richters. Kees heeft een persoonlijke en prachtige boodschap voor Diederik: Een vlekkeloos blazoen is haast niet mogelijk, wie van ons mensen heeft dat? Uit een kruisiging kan een Hosanna groeien.

Kees zingt een lied van Herman Verbeek.

Het is de beurt aan de zaal om vragen aan Diederik te stellen.
Diederik heeft een carrière in het buitenland niet overwogen. Ook in het buitenland was de affaire bekend en hij wilde zijn kinderen laten zien dat hij zijn verantwoordelijkheid neemt en dat een leven in Nederland mogelijk is na het gebeurde.
Hij geeft aan dat het opnieuw evalueren van zijn capaciteiten, het omwerken van zijn publicaties niet tot een doorbraak hebben geleid in zijn huidige arbeidsmogelijkheden.
Iemand uit de zaal brengt in dat het vertellen van zijn verhaal, hoe om te gaan met schade, schuld, schande, het laten zien van feilbare menselijke kanten een bijzonder waardevolle bijdrage is aan ons allen. Misschien is dat wel van grote betekenis in onze maatschappij, waarin zoveel nadruk wordt gelegd op succes, welslagen en prestatie.
Diederik voelde zich bijzonder depressief na de val, hij had grote moeite om het gewone leven te hervatten. Een vriend van hem nam hem twee jaar lang een paar keer per week mee uit wandelen en hielp hem daarmee weer een stukje omhoog.
Hij heeft zich afgevraagd: waarom is dit leven de moeite waard, waarom ga ik ermee door? Dat is omdat hij wil weten ‘hoe zijn leven afloopt’; hij heeft de nieuwsgierigheid en de drive om hier doorheen te komen. Hij stelt zichzelf daarom vragen als: ‘Wie kan ik helpen? Wat ga ik doen? Wat staat mij te doen?’

Op de vraag hoe hij indertijd stond tegenover vergeving, zegt Diederik dat hij verbaasd is hoe slecht de wetenschappelijke wereld kan vergeven. Hij is zich ervan bewust dat hij veel pijn heeft veroorzaakt, maar de mensen die dichtbij hem staan, konden veel eerder vergeven dan de mensen die verder weg waren.
Hoe kunnen we vergeven? Door contact te maken, door het gesprek aan te gaan. Dan ontmoet je elkaar en leer je elkaar kennen. Die ontmoeting kan tot begrip leiden, zelfs wanneer je zelf een andere keuze zou maken.
Hij zou graag willen leven met meer dan de gebeurtenissen en de consequenties daarvan. We zouden met elkaar onder ogen moeten zien dat ieder mens veel meer is dan de fouten die hij maakt. Het menselijke ligt deels in het feilbare. Altijd is er weer het achterliggende verhaal, dat we open zouden moeten beluisteren, als we de ander werkelijk willen leren kennen.

Kees zingt nogmaals en voegt er een aantal ter plekke aan elkaar geregen woorden voor Diederik aan toe:
‘Ik stapel de waarheid
de waarheid omhoog
en niemand had door
had door dat ik loog
Aan ’n boom vol met cijfertjes
mist men er geen
Ik stapel de leugen
en voel me alleen’

Tot slot is het woord aan Gerard Alberts. Hij laat een fragment van ‘Laurel en Hardy’ zien, waarin vrijwel niet gesproken wordt en de bedoeling door mime en gebaren duidelijk wordt. Gerard bouwt hiermee door op wat ook door Diederik is benoemd: het ware begrijpen komt altijd tot stand in het echte contact met de ander. In de theater- en filmwereld wordt in dat verband gesproken over ‘de vierde wand’ en het doorbreken daarvan: de verbinding tussen de hoofdrolspelers en het publiek wordt opgebouwd door rechtstreekse blikken in de camera. Het fragment laat hilarisch gestuntel zien en is daarmee een vrolijke afsluiting van een indrukwekkend gesprek. Er zijn na afloop veel ontroerde en geraakte reacties op de openhartigheid van Diederiks verhaal, die bloemen van Marian heeft ontvangen.

Bert sluit de ochtend af en nodigt iedereen alvast uit voor de laatste bijeenkomst van het seizoen op zondag 2 juni, waarin het thema ‘Zin in film’ zal zijn.

Lees hier een interview uit Trouw uit 2016.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.
Verplichte velden:*